Sint Willebrordus Gilde Heeswijk

Patroonheilige Willibrord

Onze patroonheilige ‘Heilige Willibrordus’

Opleiding tot priester

Willibrordus werd geboren als zoon van pas bekeerde ouders en werd als zevenjarige jongen door zijn vader Wilgis als oblaat (in een klooster opvoeden met het doel om later te zullen intreden) t
oe
vertrouwd aan het klooster van Ripon nabij York in Engeland, voordat zijn vader zelf als kluizenaar ging leven.

 In Ripon groeide Willibrordus op onder invloed van Sint-Wilfridus (Egbert), de bisschop van York. Wilfrid verzette zich tegen de toen  heersende Keltische-katholieke traditie en was een voorstander van de Romeinse ritus. Op zijn 20e vertrok Willibrordus naar Ierland. In de  Abdij van Rathmelsigi onderwierp hij zich aan een regime van strenge tucht. Tien jaar later, hij was toen 30 jaar oud, werd hij daar in 688  tot priester gewijd.

 Missionering

 Volgens de latere schrijver Alcuinus was Willibrordus vervuld van de geest van "peregrinatio",(de mystieke wens om het aardse thuis te  verruilen voor de bekering van heidense volken) en reisde Willibrordus in 690 met elf of twaalf gezellen, onder wie Werenfried van Elst, via  Katwijk (Zuid-Holland) naar Friesland om het voorbeeld te volgen van Jezus Christus die rondtrok om zijn boodschap te verkondigen.  Willibrordus begon daar met zijn kersteningsmissie van de Friezen, die zich steeds tegen de kerstening hadden verzet (Kerstening is het  historische bekeren, vaak massaal, van niet-christelijke (veelal heidense) volkeren tot het christendom. Synoniem aan kerstening zijn de  termen christianisering en het modernere evangelisatie) Van daaruit bezocht Willibrordus een groot gebied dat zich uitstrekt van de  Lauwerszee tot België en Luxemburg toe.

 In tegenstelling tot de missioneringpraktijk van de Iers-Schotse monniken, die bij de evangelisatie geen systeem hanteerden, organiseerde  Willibrordus zijn missionering pragmatisch en doordacht. Zo zocht hij eerst de bescherming van de Pepinidische hofmeier Pepijn van  Herstal, die zo rond 690 het dan toe Friese rivierengebied rondom Utrecht en Dorestad op de Friese koning Radboud had veroverd. De  Pepiniden (of Pippiniden) zijn een dynastie van Frankische edelen uit Austrasië, waarvan verscheidene leden Pepijn genoemd werden.

Kerstening in Polen

De term ‘Pepiniden’ heeft betrekking op de voorouders van de Karolingische dynastie, dat wil zeggen de afstammelingen langs de vrouwelijke lijn van Pepijn I of Pepijn van Landen en langs de mannelijke lijn van Pepijn II, bijgenaamd Pepijn van Herstal.

Austrasië was het noord-oostelijk deel van het Merovingische koninkrijk, en besloeg het oosten van het huidige Frankrijk, het westen van Duitsland, België ten oosten van de Schelde en delen van Nederland. De hoofdstad van het rijk was Metz, hoewel sommige koningen ook vanuit Reims regeerden.

De Merovingen waren een dynastie van Frankische koningen, die een regelmatig veranderend gebied in delen van het huidige Frankrijk en Duitsland regeerden van de 5e tot in de 8e eeuw.

Ook verzekerde hij zich van pauselijke goedkeuring. Na twee moeilijke reizen naar Rome werd hij in 695 door paus Sergius I tot aartsbisschop der Friezen gewijd, waarbij Utrecht zijn zetel werd. Bij zijn wijding kreeg Willibrordus van de paus de voornaam Clemens toegekend.

Door de steun van Pepijn van Herstal kreeg Willibrordus van de Frankische adel een grote hoeveelheid landgoederen geschonken. Hij was de oprichter en bouwer van heel wat kerken en kloosters. Willibrordus ontving in 698 de eerste helft van een groot landgoed van Irmina van Oeren, een abdis nabij Trier.

Irmina was de moeder van Plectrudis, de vrouw van Pepijn van Herstal. Toen Pepijn van Herstal hem later ook het resterende deel van dit landgoed schonk, was Willibrordus in staat om de Abdij van Echternach te stichten. In deze abdij bereidde hij zijn missietochten naar Frisia, Thüringen en Denemarken voor.

 Na de dood van Pepijn van Herstal in 714 brak in het Frankisch koninkrijk de Frankische Burgeroorlog uit. Hierdoor werd  Radboud in de gelegenheid gesteld om zijn verloren gebieden in Midden-Nederland, waaronder Utrecht, weer terug te veroveren.  Pas toen Karel Martel Utrecht definitief veroverd had op Radboud, kon Willibrordus zich blijvend in Utrecht vestigen. In 719  ontving Willibrordus bezoek van Bonifatius, die na een verblijf van drie jaar naar de Germaanse landen vertrok om daar te gaan  kerstenen.

 De Frankische Burgeroorlog van 715 tot 718 brak uit na de dood van Pepijn van Herstal op 16 december 714 en werd gestreden  tussen zijn kleinzoon en opvolger Theudoald, zijn weduwe Plectrudis, zijn bastaardzoon Karel Martel, zijn opvolger als hofmeier  in Neustrië Ragemfred en de nieuwe koning Chilperik II.

 Laatste levensjaren

 Willibrordus maakte een aantekening die in de kantlijn van een kalender werd gezet, betreffende de belangrijkste data van zijn  missionariswerk: zijn aankomst in 690 in Francia, bisschopswijding in 695, eindigend met het gezegde "in Dei nomine feliciter"  (in de naam van God gelukkig).

 Van het einde van Willibrordus leven is niets bekend, behalve dat hij voor zijn dood zijn opvolging had geregeld en zijn grote bezittingen had toegekend. Willibrordus stierf op 81-jarige leeftijd en werd op eigen verzoek begraven in Echternach. Heden ligt Willibrorduss graf in de crypte van de basiliek van de Abdij van Echternach.                 

 (Willibrords sarcofaag)

 Kritische beschouwing

 Willibrordus stelde zich bij zijn missie in dienst van het naar expansie strevende  katholieke Frankische rijk van Pepijn van Herstal. In de voetsporen van diens  veroveringen probeerde Willibrordus in de veroverde gebieden het katholicisme te  verspreiden. Daarbij gebruikte hij desnoods geweld.

 Volgens Beda verkreeg Willibrordus bij zijn bezoek rond 691 aan Paus Sergius  naast zijn toestemming te preken tevens relieken van heiligverklaarden, die hij  kon gebruiken na de vernietiging van afgodsbeelden.

 In 752/753 schreef Bonifatius een brief aan Paus Stefanus II, waarin hij  vermeldde dat Willibrordus de Friese heidense heiligdommen en tempels had  vernietigd.

 In de hagiografie van Alcuin uit circa 795 staan twee verhalen dat Willibrordus  heidense heiligdommen onteerde. In het eerste verhaal zou Willibrordus met een  gezelschap bij Walcheren zijn aangekomen. Willibrordus zou aldaar vervolgens  een heidens heiligdom hebben verbrijzeld. De bewaker van het heiligdom die dat  wilde verhinderen, werd daarop bijna door Willibrordus gezelschap vermoord.  Tevens zou Willibrordus op Fositeland (mogelijk het huidige Helgoland) de door  de heidenen als heilig beschouwde waterbron, de Friese god Fosite en het vee  hebben onteerd. Schrijvers van hagiografieën deden overigens destijds niet  uitsluitend historisch verslag en er vond gebruikmaking plaats uit hagiografieën  van oudere heiligen. Het vernielen van zulke heiligdommen door heiligen is een  "standaardhandeling".

 Heiligdommen in de natuur
 Volgens de Romeinse geschiedschrijver Tacitus wijden de Germanen hun goden  op heilige plekken in de natuur. Uit middeleeuwse bronnen, zoals het 9e eeuwse  Indiculus superstitionem en de wetsbepalingen die Karel de Grote vanaf 775  opstelde om het heidendom te bestrijden, kunnen we drie typen heilige plekken  onderscheiden:
 Heuvels, rotsen en stenen;
 Stromende rivieren, meren, veenmoerassen en bronnen;
 Bossen en bomen.

 Nederland kent nog een redelijk aantal heiligdommen die terug gaan op de  heidense tijd.
 Hieronder staat een opsomming van de verschillende soorten heiligdommen:

 Heuvels waarbij de naam een aanwijzing is voor een heidense oorsprong:
 Zonnebergen zonne-offerplaats
 Manebergen mane-offerplaats
 Wodansbergen /Godensbergen* aan Wodan gewijd
 Donderbergen aan Donar gewijd
 Materberg aan moedergodinnen gewijd
 Hemelse bergen aan Heimdal gewijd
 Paasbergen gewijd aan de lente/Ostara
 Helsbergen gewijd aan Hel
 Hengstbergen vruchtbaarheidsoffers 

De "G" van "Goden" in het tweede woord is door een klankverschuiving veranderd vanuit Woden.
Tafelbergen (heuvels met een afgeplatte kegelvorm).
Offerstenen.Duivelsstenen (met "voetstappen" of "bloedend").
Heilige bomen (de boom moet een ouder exemplaar vervangen hebben wil hij terug gaan tot heidense tijden).
Heilige bossen.
Heilige bronnen en putten.
Duivelsdalen, -meren, -bossen, -bergen.Kinderbomen, -putten, -stenen, -bergen.
Overige heidense elementen.
Klokputten (Ongewijde klokken)
Kerken gebouwd op heidense plaatsen.

Spijkerbomen en lapjesbomen (als genezende bomen)

 

 In de legendes over Willibrordus spelen waterbronnen en putten een grote rol omdat het christendom tegenover de natuurverering  van de Germanen stelt dat Christus de enige en eeuwige bron is. Het Germaanse heidendom zelf werd sterk bepaald door  natuurverering met heilige bomen, stenen en water als levensbron.

 Verering

 Al gauw na zijn dood werd Willibrordus in Echternach als heilige vereerd. Zijn graf groeide uit tot pelgrimsplaats, zodanig dat in  800 de bescheiden Merovingische kerk al plaats moest maken voor een grotere van 60 meter lang met drie zijbeuken.

 Een reliek( in ringvorm uitgevoerd) van de botten van Willibrordus, bewaard in de H-Willibrorduskerk te Heeswijk. Deze wordt  weer geëerd in het jaar 2010 bij de installatie van de nieuwe koning van het gilde.

 Er zijn twee hagiografieën over hem geschreven, de eerste rond 795 door Alcuin en de tweede, 300 jaar later, door Abt Thiofrid.  Deze verhalen onder andere legendes en noemen wonderen rond Willibrordus zodat hij aanzienlijk aan roem en verering won in  de Europese kloosters aan deze kant van de Alpen. De Willibrordusputten en bronnen die zijn bekeringswerk op zijn  "peregrinatio" markeerden, bezocht men ter genezing van zenuwaandoeningen, vooral die van kinderen. Vandaag nog dragen veel  kerkparochies in België, Nederland en langs de Beneden- Rijn (Niederrhein), die verbonden waren met het klooster van  Echternach, de naam Heilige-Willibrordus. Een voorbeeld daarvan zijn de parochies Berchem, Deurne en Bakel, waar gronden en  goederen (en in Bakel in 712 een kerk door edelman Herelaef) aan Willibrordus werden geschonken.

 In de reliekenschat van de Dom van Utrecht bevonden zich in 1525 relieken van 

 bisschop Willibrordus, bestaande uit fragmenten van zijn vlees, botten, kazuifel en schoeisel, bewaard in een met fijn linnen  omwikkeld en met N gemerkt etui. Sinds 2002 vindt er weer een jaarlijkse processie in Utrecht plaats waarbij een reliekschrijn  met enkele botten van Willibrord wordt rondgedragen door de stad.

 Ruiterstandbeeld van de heilige Willibrordus (1939-1942), Janskerkhof (Utrecht). Gemaakt door de Nederlandse beeldhouwer  Albert Termote (1889-1978)

  

 Bedevaartgangers die in Echternach deelnemen aan de springprocessie, tonen  ook nu nog hun trouw aan de patroonheilige.

 Het is een merkwaardige processie aangezien er steeds drie stappen naar voren  gezet worden en vervolgens twee naar achteren. De oorsprong van dit gebruik is  onbekend. Elk jaar vindt deze processie met duizenden deelnemers en  bezoekers plaats op de dinsdag na Pinksteren ter nagedachtenis aan  Willibrordus. 

 Abdij van Echternach waar Willibrord ligt begraven

 De geschiedenis van de springprocessie

 De Kerk heeft in de loop der eeuwen een tweeslachtige houding aangenomen ten  opzichte van de religieuze dans. Enerzijds wordt in de psalmen meerdere malen  opgeroepen tot de dans als uitdrukking van vreugde. Aan de andere kant werden  religieuze dansen in conciliebesluiten verboden, omdat ze stammen van  heidense religieuze dansen en tot mistoestanden leidden. Voor Echternach kan  niet bewezen worden dat de springprocessie stamt uit een voortzetting van  heidense gebruiken, die door het christendom zijn overgenomen en gesteld  werden onder de bescherming van St. Jan de Doper. In Echternach staat ze  onder het patronaat van St. Willibrord. 

 Het is een feit, dat al spoedig na de dood van Willibrord in 739 hele stromen pelgrims naar Echternach begonnen te komen, naar  het graf van de heilige. De sequentie van de monnik Berno von Prüm die van 1008 tot 1048 abt was op de Reichenau bevat de  oudste vermelding van een driesprong voor Echternach. Deze sequentie, ter ere van de heilige Willibrord, vermeldt de belangrijke  dag waarop de lof van Christus gevierd werd met een grote driesprong ter ere van St. Willibrord. Deze sequentie duidt op een  bepaalde springprocessie, op een bepaalde dag in Echternach. De springprocessie van Prüm kan er niet mee bedoeld zijn,  omdat deze pas in de 13e eeuw is ontstaan. Daarmee wordt echter ook bewezen dat de springprocessie ter ere van Willibrord  plaats vindt. Deze processie was in de loop der eeuwen aan veranderingen onderhevig. Tijdelijk trok zij uit onder het mom van  banprocessie waarvoor meer dan 150 dorpen die van de abdij afhankelijk waren, moesten verschijnen.Door de epidemieën en  ziekten van de 11e tot de 14e eeuw voelden de mensen zich genoopt, om van heide en verre naar St. Willibrord op bedevaart te  gaan en zich door de springprocessie op bijzondere wijze aan hem toe te vertrouwen. In die tijd waren er verschillende manieren  van “springen” door de zo genoemde “dansende heiligen”. De “dansende heiligen” zijn pelgrims die in een noodsituatie een  gelofte hebben afgelegd of zich onder de bijzondere bescherming van de heilige hebben gesteld.

 

 Van Echternach zijn drie soorten springprocessies bekend, die echter niet alle  op dezelfde dag aan bod kwamen. 

 Zo kent men de “dansende heiligen” van Bickendorf en andere dorpen, die elke  keer een sprong naar rechts en naar links en naar voren maakten, voor gebed of  lied bleven staan, en zo afwisselend verder gingen tot ze in de basiliek waren. Er  waren ook staande heiligen die de sprong vervingen door een drievoudige stap.  Later kwamen de springers van Waxweiler en hun manier van springen verdrong  langzamerhand de andere. Vanuit het springen van Waxweiler ontwikkelde zich  de tendens dat meerdere groepen aan de springprocessie deelnamen. De “dansende heiligen” van Waxweiler schijnen de oorspronkelijke springprocessie verdrongen te hebben. Daar sprong men de driesprong en er waren twee of drie muzikanten, die alleen maar het teken gaven om verder te gaan. Had Waxweiler een nieuwe manier van springen met een eigen melodie? Daarover zwijgen de historische berichten.Ondanks onderbrekingen en verboden is de processie tot op heden blijven bestaan. Het is een geliefd cliché dat men verschillende passen naar voren springt en dan weer naar achteren. Het wordt graag door politici en journalisten gebruikt. Het kan ontstaan zijn, doordat de processie stagneerde, vroeger, toen ze nog niet zo goed georganiseerd was als nu. De pelgrims moesten dan een pas op de plaats maken of zelfs terugwijken, waardoor de indruk ontstond, dat er systematisch achteruit gesprongen werd. Deze foutief beschreven wijze van springen werd steeds weer overgenomen, maar dit werd, ook al gedurende de 19e eeuw, door ooggetuigen weerlegd.Weliswaar waren er altijd weer groepen, die zich verplicht voelden om vast te houden aan deze vermeende traditie en voor- en achteruit sprongen. Sinds 1947 wordt er alleen naar voren gesprongen, een pas zijwaarts naar links en dan een pas zijwaarts naar rechts.De oorspronkelijke melodie grijpt terug op een eenvoudig volkswijsje, dat men in heel Europa in verschillende varianten terugvindt. Deze melodie werd in de 19e en 20e eeuw uitgebreid en geharmoniseerd. De springprocessie spreekt ook vandaag de moderne mens nog aan, omdat ze het voor hem mogelijk maakt om met het hele lichaam te bidden. Het springen is een uitdrukking van vreugde, maar ook een echte boeteoefening omdat het een flinke inspanning vraagt. De processie geeft het gevoel, samen met de gemeenschap van het volk van God onderweg te zijn naar het eeuwige doel.Twaalf tot veertienduizend pelgrims doen elk jaar op Pinksterdinsdag mee met de processie. Daar zijn acht tot negenduizend springers bij. 

Deelname

Iedereen heeft in principe het recht om aan de processie deel te nemen, indien hij dit uit religieuze motieven doet, zich aan de regels houdt en zich aan de aanwijzingen van de ordebewaarders houdt.Voor iedereen is een passende plaats gepland! Wie de processieweg zingend wil gaan, hetzij man of vrouw, kan aansluiten bij de groep zangers die de litanie van de H. Willibrord voorbidt (groep C). Wie zich niet in staat voelt om de hele processieweg springend af te leggen, kan aansluiten bij de bidders (groepen D - H). In geen geval is het geoorloofd om zich aan te sluiten bij een groep springers, zonder volgens de regels mee te springen! De zangers en bidders stellen zich op in de Ehrenhof van de abdij bij de juiste schilden.Wie mee wil springen, maar niet bij een groep hoort die aangemeld en toegelaten is, kan aansluiten bij de individuele pelgrims (de groepen springers 15 - 21).Deze stellen zich op in de “unteren Abteihof” onder het grote schild “EINZELPILGER” en worden daar door de ordebewaarders in de verschillende groepen ingedeeld. Men late het achterwege, om op eigen houtje in een groep te dringen die al opgesteld staat. Het is ook verboden om onderweg bij een groep aan te sluiten. Van de springers wordt verwacht, dat ze de hele weg ernstig en waardig meespringen. Opvallend gedrag ( b.v. gedag wuiven, zwaaien met de doeken, …….) moet men vermijden, aangezien het de totaalindruk van de processie alleen maar schaadt, die immers een religieus gebeuren is. 

Verloop

Op Pinksterdinsdag, ’s morgens om 5.15 uur, komen de jongeren die aan de Pax-Christi sterrebedevaart hebben deelgenomen in de basiliek samen voor een door de jeugd voorbereide Eucharistieviering. Om 7.30 worden bij de brug over de Sauer de pelgrims ontvangen die uit het de regio Prüm-Waxweiler op Pinksterzondag voor een driedaagse bedevaart te voet vertrokken zijn. Zij worden verwelkomd door het bestuur van de Willibrordus-Bauverein en in processie naar de basiliek geleid. Kort tevoren komen ook de groepen pelgrims uit de buurparochies in de kerk aan. Om 8.00 uur is daar een pontificale concelebratie. Vanaf 8.15 verzamelen de eerste groepen deelnemers van de springprocessie zich in de “Ehrenhof” van de vroegere abdij. Na de plechtige hoogmis, tegen 9.00 uur, houdt de aartsbisschop van Luxemburg een korte toespraak om iedereen te verwelkomen. Dan begint de processie te trekken. Eerst komen de zangers die de litanie van St. Willibrord voorzingen, gevolgd door de groepen bidders uit binnen- en buitenland. Dan volgen de ongeveer 45 groepen springers,die telkens in rijen van vijf springers voor en achter een muziekcorps opgesteld zijn. De muziekcorpsen spelen afwisselend de traditionele mars, zodat aan de springers een pauze gegund wordt. Tegen 13.00 uur komen de laatste groepen in de basiliek aan, waar een kort slotlof plaatsvindt. Daarna wordt er gelegenheid geboden om een heilige Mis bij te wonen.

Organisatie

De organisatie wordt waargenomen door de leden van de Willibrordus-Bauverein. De zogenoemde commissarissen, herkenbaar aan hun witgele armband, verzorgen de ordedienst, de opstelling en begeleiding van de diverse groepen. Een lijst met de opstelling van de groepen wordt bijtijds aan de deelnemers bezorgd, op zaterdag voor Pinksteren in de “Luxemburger Wort“ gepubliceerd en voor de processie onder het publiek verspreid. (zie “agenda”).Het verkeer wordt door de politie geregeld. Personenauto’s worden naar de beschikbare parkeerplaatsen geleid. Voor autobussen bestaat de mogelijkheid dat ze hun passagiers bij de oude brug over de Sauer of bij het station uit laten stappen, om ze daar na de processie weer op te halen.De Police Grand-Ducale Echternach en de Willibrordus-Bauverein wijzen er met nadruk op, dat er in de stad, met uitzondering van de omgeving van het station, maar weinig parkeerplaatsen in het centrum van de stad beschikbaar zijn.

Gratis buspendeldienst

Om deze reden zal een gratis buspendeldienst de pelgrims en bezoekers van de “Parking du Lac” op de Route de Luxembourg ieder kwartier tussen 8.30 uur en 16.00 uur heen- en terugbrengen.

 Toeschouwers

 Er wordt van de toeschouwers verwacht dat zij de religieuze beleving van de deelnemers niet storen. De processie is geen folkloreshow.    Het is daarom ongepast om voor de diverse groepen te applaudisseren. Als de bisschoppen en prelaten voorbijtrekken is het ook zinvol,    om  op de zegen van de bisschop met een kruisteken te antwoorden en op die manier te getuigen van deelname aan het religieuze    gebeuren. Aan allen wordt het verzoek gericht om de aanwijzingen van de Police Grand-Ducale en van de Willibrordus-Bauverein aan te    nemen en op  te volgen! Het is mogelijk om ’s middags te eten in het refectorium (pelgrimsmenu) en in de kantine (snacks) van het    schoolinternaat.

 

 Het gilde van Heeswijk heeft voor de naam Sint Willebrordus gekozen in plaats van Sint Willibrordus omdat Willebrordus al  genoemd wordt in de gildekaart van het gilde uit het jaar 1596.

 Opgemaakt door J.C. Schakenraad.